2. Ons golfplaten dak – week 32

13 augustus

 
Als ik tegenwoordig richting het trainingsveld loop neem ik steevast kort een momentje om naar de nieuwe kantine in aanbouw te kijken. De buitenkant ziet er zo goed als af uit, ze zijn nu nog bezig met de binnenkant. Het doet me denken aan de kantine van JSV, maar dan met de tribune in de schaduwzijde. Vanaf het perspectief vanuit Geinoord staat onze oude kantine er op de achtergrond maar zielig en verlept bij. Binnenkort gaat deze gesloopt worden en zal het gebouw na al die jaren uit haar lijden verlost worden. Vreeswijk en Geinoord gaan, voor degenen die onder een steen geleefd hebben, aankomende seizoen verder onder de gezamenlijke vlag van S.V. Parkhout. Lekker bekt het vooralsnog niet, maar dat went vast wel.  
 
Dat het zo ver is gekomen hadden we lange tijd niet durven dromen. Tien jaar geleden waren er voor mijn gevoel al geruchten van een fusie, maar als je in die tijd uitgesproken voorstander was geweest had men bij je gecheckt of je niet uit het Pieterbaan-centrum ontsnapt was. Fuseren met Geinoord was uit den boze en compleet gekkenwerk. Geinoord was doorgaans de arrogante buurman die haar financiële huishouding niet op orde had, Vreeswijk was de nobele armoedzaaier die staande werd gehouden door de clubliefde in de harten van een handjevol vrijwilligers. Geinoord was Barcelona en Vreeswijk Espanyol, zo simpel was het. 
 
Tijdens de jaren die volgden hebben beide clubs er alles aangedaan om deze houding te doen kantelen; ze hebben de fusie zo lang uitgesteld dat we ernaar gingen snakken. Waar andere verenigingen hun accomodatie aan het innoveren waren, gebeurde er in Vreeswijk niets. Moet je wel zeggen dat dit ons lange tijd niets uitmaakte, wij hadden alles wat ons hartje begeerde en klaagden daarom zelden. Zolang we wekelijks van een scheidsrechter, een veld, een kleedhok, een warme douche, een kan bier en ons plekje onder het golfplaten dak werden voorzien, waren we content. Wij waren trots op onze club en op onze kantine, wij hoefden die poespas niet.

Wij hadden als enige club in de hele regio een golfplaten afdak met uitzicht op een veld vol onkruid, dat was ook iets om trots op te zijn met z’n allen. Ieder township in regio Johannesburg zou behoorlijk jaloers zijn op ons golfplaten dakje. Dit dakje overleefde alles wat Moeder natuur het gaf: hagelbuien, windhozen en zelfs aardbevingen waren geen partij. Ik heb mezelf altijd afgevraagd waar dat afdakje nou vandaan kwam en hoelang het er al zit. De kantine van Vreeswijk is in 1969 opgeleverd, zou het er al zo lang liggen? Was er vroeger een ander afdakje van bijvoorbeeld hout, klei of bamboe? Het zou mij niets verbazen als het afdakje er eerst lag, en dat ze daarna de kantine eromheen hebben gebouwd. Dat ze op een mooie voorjaarsdag in 1969 in de verte een golfplaat zagen liggen en gelijk besloten dat dit het epicentrum van het nieuwe complex moest worden. Het zou mij ook niets verbazen als dit afdakje het bombardement op Rotterdam had overleefd en een verdwaalde bom had teruggekaatst richting de Luftwaffe. Toen Goof op een zomerse middag het balkon voor een euro aankocht deden alle aanwezigen daar lacherig over, maar mij leek dat een slimme investering. Het zou zomaar kunnen dat deze golfplaat je in een dergelijke favela van Rio de Janeiro een hoop centen kan opleveren. Is het te laat om nog een verzoek in te dienen bij het bestuur van Parkhout? Zou er een klein stukje golfplaten dak in de nieuwe kantine aangelegd kunnen worden, uit coulance? Daar voelen wij ons immers het meest op ons gemak. 
 

Echter kon de man met de hamer niet uitblijven: de club raakte in verval. Het geld en de middelen raakten langzamerhand op, het was alleen nog maar wachten op de genadeklap die Covid met alle liefde zou uitdelen. De clubs moesten dicht en de KNVB liet alle wedstrijden aflasten. Interne conflicten volgden direct: leden eisten hun contributie terug of dreigden deze niet te gaan betalen, dat uiteindelijk tot jarenlang mailverkeer zou gaan leiden tussen de penningsmeester en haar blauw-witten. De rechtzaken die hieruit voortkwamen deden het Marengo-proces doen reduceren tot een potje knikkeren, en slepen tot de dag vandaag voort. Ondertussen liepen de ledenaantallen terug, was er een chronisch personeelstekort, was het iedere week weer de vraag of er genoeg scheidsrechters waren en was er de laatste jaren niet eens genoeg animo om een fatsoenlijk eerste elftal op touw te zetten. Ter compensatie schafte het bestuur een pingpongtafel en een dartbord aan en kregen de teams een soort covid-vergoeding om met z’n allen iets leuks te gaan doen, maar dit was slecht een vinger in een lekkende emmer water. Er moest iets gebeuren, en onder de overgebleven leden draaide de houding jegens de fusie om.

Clubliefde verloor het uiteindelijk van de bittere realiteit: de bruisende vereniging van weleer was niet meer en ging ook niet meer terugkomen zonder de steun van de boze buurman en de gemeente. De laatste jaren ben ik zelfs gaan hunkeren naar die nieuwe accommodatie (lees: Aakoomoodoatsie). Hoe zal dat zijn: mooie velden zo ver het oog rijkt, scheidsrechters en materiaal in overvloed en in de kantine 4, je hoort het goed, 4 verschillende soorten bier op de tap. Zal dit clubhuis ook anno 2023, van havermelk cappucinos en glutenvrije koekjes worden voorzien? Zal de kantinedienst met een IPad rondlopen waarmee ze de mensen gaan informeren over de allergische reacties die de nieuwe borrelkaart kan uitlokken? Misschien is er tussen een 14.00 en 18.00 wel een goedvullend namiddag programma, met een jazzband en een huisdichter, waarbij Edwin Werkhoven de wijnen zal gaan leveren. Wellicht gaan ze dan ook gelijk Frank van Etten niet meer uitnodigen en vervangen ze deze door Mia en Dion. Misschien wordt de frituur wel een saladebar. Roken zal dan alleen nog oogluikend toegelaten worden bij station Wiersdijk en de wc’s zullen genderneutraal zijn. Je weet het niet, maar hoe dan ook: ik kijk er naar uit.

Binnenkort gaat de kantine gesloopt worden en ik zal daar met een brok in m’n keel en een fles whisky in de hand naar gaan kijken. Met deze sloop breken ze niet alleen een gebouw met een prachtig golfplaten dak af, maar ook een hele hoop mooie jeugdherinneringen. Het begon al toen ik als klein kereltje het hek van het oude trainingsveld overklom om stiekem op de prachtige grasmat van het hoofdveld te gaan voetballen. Destijds moest je voor een wedstrijd van het 1e elftal nog een kaartje kopen bij Elza’s loket en hadden we nog een terreinknecht met de naam Gruttes. Hij zorgde er wekelijks voor dat het veld er als een biljartlaken bij lag. Hij behandelde deze lappen grond als zijn kinderen en daar gingen wij dan een beetje over lopen leggen voetballen, dit was uiteraard niet te bedoeling! Regelmatig is hij woedend met zijn trekker achter ons aangereden, maar gelukkig wisten we altijd met gemak te ontkomen. Tot op een zekere dag dat we aan het voetballen waren en Gruttes niet in de trekker bleek te zitten. Hij had een jonger, fitter personeelslid in dienst genomen die liever koos voor de benewagen. En die gast leek verdorie nog sneller dan Usain Bolt! In grote paniek wisten we nog net de dans te ontspringen, maar die dag had ik wel uit angst m’n hele broek ondergezeken! Ik ging maar weer gewoon op straat voetballen, da’s een stuk veiliger. 

Uiteraard zijn er teveel herinneringen om in zo’n kleine column te verwerken: D&E Kamp (het zijn de spelers van de Deeee en de Eeeee), Ford-Zwart toernooi, de Voetbalweek, Hoge Hoedentoernooi, KNVB-beker winst, kampioenschappen en veel meer. We kwamen, we zagen, we overwonnen. Vanaf komende seizoen weer, maar dan in een ander jasje.

Door 54 jaar clubhistorie zal op een warme nazomerse middag definitief de sloopkogel gaan. Terwijl ik melancholisch naar de afbraak van mijn laatste stukje jeugdsentiment aan het kijken ben zal ik een traantje wegpinken. Het doek is gevallen, de show is definitef over. Zoals André Hazes ooit zong: ‘het waren mooie jaren’. Emoties beginnen de overhand te nemen. Met trillende lip zing ik zachtjes:”daaaaar ligt mijn vader-land, Vrees-wijk aan de lek…”, terwijl ik met mijn mobiel een foto maak van de puinhoop voor me. Deze foto geef ik met tranen in m’n ogen een zwart/wit filter en upload ik naar m’n 43 volgers op instagram met de caption: “Vreeswijk, wat was je mooi….. [hysterisch huilemoji-blauw hartje emoji-twee handen in bidpositie emoji-lachend aapje met twee handen voor zn ogen emoji (ik blijf immers toch een ondeugende jongen), om me vervolgens om te draaien en richting het nieuwe clubhuis te bewegen. Met nog 1 laatste blik kijk ik achterom en droog m’n gezicht, voordat ik de nieuwe kantine in stap.

Daar eenmaal binnen staan er bij de ingang twee mooie vrouwen met glazen prosecco in de hand, waarvan ze mij er een aanbieden. Ik loop door en wandel met mijn glas prosecco een ruimte binnen die vol ziet van mensen die genieten van de verschillende soorten pintjes die de tap te bieden heeft. Je hoort men met elkaar in conclaaf zijn: ‘Harold, ik vind die La Chouffe toch niet zo lekker, doe mij maar een flesje Jopen zo. Poah hee, wat een interessante diversiteit aan dranken!’. Men oogt ronduit tevreden. De vloer is van marmer, het interieur is voornamelijk wit en paars en door de hele ruimte hangen vlaggen met kledingsponsor Robey. Op het podium zingt Frank van Etten over een huisje op wielen, voor zijn neus is de polonaise al in gang gezet. Zometeen zijn DJ Koen en Tom aan de beurt om deze fuif naar epische hoogtes te brengen. Achter Frank hangt een groot spandoek: LE GRAND OPENING S.V PARKHOUT. WELKOM TIJGERS. Ik loop het balkon op en groet mijn teamgenoten wat onwennig onder een stenen, massieven afdak in de schaduw. Het is stil, ze roken een sigaret, drinken een Afflichem blond en kijken levenloos naar de grond. Voor hen geen Frank van Etten, maar bezinning. Het is het duidelijk even zoeken, zo’n nieuwe omgeving. Op deze manier blijft iedereen zo’n twintig minuten roerloos staan, totdat er ergens uit een hoek geluid klinkt: ‘Vreeswijk!’ horen we.

Daar in de hoek tegenover ons zit Guus de fysio ons tevreden aan te kijken en steekt zijn vinger joviaal in de lucht. ‘Vreeswijk!’ roept hij nog een keer. Vanuit ons team volgt ook iemand: Vreeswijk!’. Guus glimlacht: ‘Vreeswijk’. Iemand anders uit het team countert sterk: Vreeswijk!’ waarop de teamleden 1 voor 1 beginnen de staan. De atmosfeer slaat binnen no time om; binnen de kortste keren hoor ik overal ‘Vreeswijk!’ vandaan komen, in combinatie met geklap, gejuich, gespring en gehos. Gekte neemt al snel de overhand: bekers bier en bitterballen vliegen door de lucht. Vrees-wijk! Vrees-wijk! Vrees-wijk! klinkt het euforisch, totdat de Raaf het balkon over leunt,beide handen naast zijn mond zet en eens diep inademt: ‘EEEEEEEEEEEEEEEERIKKKKKKKKKKKKK!!!’ schreeuwt hij uit. Aan de bar springen er vijf flessen champagne kapot. Frank van Etten stopt even met zingen en kijkt geschrokken naar buiten. In de verte vliegt er een groepje duiven weg.

Precies op dat moment punt besef ik me dat Vreeswijk niet zal stoppen bij de sloop van wat steen en beton, maar dat je het mee zult nemen in je hart. Hiero, in je haart. Ja daarzo, voel maar effe. Doar zit je haart juchie. Ik voel in mijn borstzak en inderdaad, daar voel ik nog een klein stukje golfplaat zitten. Dat kan geen toeval zijn.