Een brug te ver – week 40

9 oktober, 2023

Afgelopen zaterdag zijn wij in het hol van de leeuw (lees: Vianen) met een 2-0 klop onderuit gegaan tegen een team dat, tot nu toe, de meest geduchte tegenstander bleek te zijn: een gelouterde, op elkaar ingespeelde, ervaren ploeg die tijdens de tweede helft terecht aan het langste eind trok in deze historische ‘lekderby‘. En aan Daan heeft het zeker niet gelegen: hij heeft als een Tibetaanse Monnik naar deze wedstrijd toegeleefd door op vrijdagavond niet naar het casino te gaan en speelde vervolgens meer minuten dan hij heel vorig seizoen heeft gemaakt, grote klasse. Het is maar dat Dennis het op z’n heupen had, anders was Daan bij uitstek voor mij ‘Beste van het veld’.

In die hoedanigheid hebben wij de eerste helft op een veld zo stroef als een moeras in de Everglades dapper weerstand geboden en zelfs meerdere malen aanspraak gemaakt op de openingstreffer, echter mocht dat niet baten. Voor de goede orde zullen wij ons aan deze helft moeten vastklampen voor het verdere verloop van het seizoen, want onaardig was het bij vlagen zeker niet. Zoals spits, banterpage-verdachte en generaal-majoor Mon Tontfort na de wedstrijd terecht richting zijn manschappen bulderde: ‘We have lost the battle, but we have not lost the war!’

Dit deed mij al gauw denken aan Operatie Market Garden, waar de geallieerde troepen onder leiding van Bernard Montgomery een grootschalig offensief inzetten om Nederland te bevrijden, maar uiteindelijk op de Rijnbrug bij Arnhem vastliepen. Dit bleek net een brug te ver, waardoor de oorlog voor grote delen van Nederland nog negen maanden (met hongerwinter incluis) langer duurde. Uiteindelijk kwamen de geallieerden alsnog als overwinnaar uit de bus en werd zelfs Urk weer bij de Nederlanden gevoegd. Noem me een megalomane opportunist, maar ik hoop ook bij ons op een soortgelijk scenario. Vooralsnog blijven ook wij steken op een brug, in dit geval de Lekbrug, dat voor de zoveelste keer een brug te ver lijkt. Je weet wat ze zeggen: Van Vianezen kun je alleen maar verliezen. Voor mij toch wel het verhaal Brederodes-uit, of liever gezegd: Vianen-uit.

Vianen is voor de doodnormale Nieuwegeiner altijd wel een brug te ver geweest. Je kunt op de dijk een Viaanse woning binnenkijken en toch voelt het ver, vooral als je deze brug fietsend of lopend moet afleggen. Als je vanaf de Lekboulevard een blik richting het zuiden werpt, bekruipt je het gevoel dat je een heel andere wereld ziet: hier eindigt de beschaving. Wanneer je de flats van de Hagen, de grote Kerk en, als je goed je best doet, de Raaf in de Rooie Reiger een Guinness ziet bestellen, besef je wat voor een onheilspellende plek het moet zijn.

Wat zullen de Vreeswyckers zo rond zo’n circa 1450 wel niet gedacht hebben van die plek aan de overkant van het water. Toen er nog geen bruggen en wegen waren maar slechts een schipper die hen liet overvaren voor twee schilling of een daalder. In het donker stonden zij op de dijk en luisterden deze vrome christenen naar het geschreeuw en gedans van de hedonisten, de Staetenlozen. Wellicht keken ze ernaar zoals Frodo richting Mordor keek, een plek waar de kans groot is dat je voor eeuwig in het vagevuur belandt. Dit zou niet eens zo onrealistisch zijn wanneer je beseft dat Vianen vanaf de late middeleeuwen een Vrijstad was, wat betekent dat het eeuwenlang een ‘vluchtplaats voor lieden van bedenkelijk allooi’ is geweest. Iedereen die maatschappelijk verzaakt had had kreeg in Vianen een tweede kans. Vianen was het nablijflokaal van de Lage landen. De term ‘naar Vianen gaan’ is nog steeds synoniem voor “failliet” gaan. Nu snap ik ook waarom ik, iedere keer als ik bij Brederodes voetbal, het gevoel heb dat ik weer berooid en failliet thuis kom. Ik verlies altijd wel iets. Ik verlies de wedstrijd, ik verlies m’n geld of ik verlies m’n benen.

De geschiedenis van Vianen hangt voor mijn gevoel nog behoorlijk samen met haar huidige bewoners. Ik spreek niet alleen namens mezelf als ik nog veel mensen onder de Lekstroom van bedenkelijk allooi vind, de helft van de Vianezen die ik persoonlijk ken behoren zonder twijfel tot het rapaille. De bekendste Vianezen van het moment zijn Ridouan Taghi en Lowietje van de Jumbo, daar ga je al. Als je Vianen googelt, krijg je als eerste resultaat een artikel over een massagraf. Vianezen drinken al eerder, gaan op jonge leeftijd naar tentfeesten in Hei- en Boeicop en krijgen iedere oktober een paar dagen vrij om paarden te bekijken en te keuren. Vianezen houden van zagen, pochen veel over hun historie en hebben verstand van hoefdieren.

Op de middelbare school keek ik naar Vianezen zoals een chimpansee naar een bonobo kijkt: zelfde idee, ander gedrag. Vianezen blowden maar weinig en dronken veel. Vianezen leken ouder. Vianezen gingen na schooltijd nog even langs de grindput klei scheppen en tussen de koeien liggen. In de winter gingen ze binnen zwemmen in Helsdingen. Vianezen gingen op zaterdag naar Rodenburg om daar hun onderlinge vetes met naburige dorpen uit te vechten. Vianezen hadden maar 1 middelbare school en Vianezen waren negatief over ons, Nieuwegeiners, de stad (zonder stadsrechten) waar ze iedere dag verplicht naartoe moesten om te leren uit een boek. Gadverdamme, leren uit een boek. Vianezen houden helemaal niet van leren uit een boek, Vianezen leren in de praktijk.

Toch voel ik mij de laatste tijd steeds meer een roepende in de woestijn, aangezien Vianen een steeds grotere aantrekkingskracht lijkt te hebben op mensen van boven de rivier. In het bijzonder heb ik het over Hoef en Haag dat tegenwoordig vol zit met Nieuwegeinse import. Waar ze je vroeger een dwangbuis aantrokken als je een folder van een Vianees koophuis bekeek, is het nu de normaalste zaak van de wereld om er een huis te gaan bezichtigen. De huizencrisis blijkt het slechtste uit de mens naar boven te halen. Meerdere teamgenoten hebben hun morele kompas al lang geleden verloren en hebben afgelopen zaterdag een thuiswedstrijd gevoetbald. De verloedering van binnenuit, het blijft een kwalijke zaak. De tweede helft hebben we tegen onszelf gevoetbald en als iemand de kop van Jut moet zijn, zijn het wat mij betreft de Hoef-en Hagers.

De Hoef en Hagers misten dat gezonde stukje vreemdelingenhaat jegens de vijand die de lekderby doorgaans tekent. Hoef en Hagers en Vianezen voelen zich verbonden met Vianen en zijn dus in de war. Voor Hoef en Hagers is het geen brug te ver meer, maar is dit inmiddels als thuiskomen. Hoef en Hagers hebben helemaal niet zo’n afkeer van groen-geel, sterker nog: Hoef en Hagers gaan komende woensdag gewoon naar de paardenmarkt waar ze zich doodleuk met een groen-gele sjaal om de nek laten fotograferen voor het stadhuis. Zelf kijk ik met afkeer naar Hoef en Haag, wetende dat ook ik, linksom of rechtsom, er ooit ga eindigen. Het is slechts een kwestie van tijd voordat we er allemaal zitten.

Dan is het inmiddels al uitgegroeid tot een grote Nieuwbouw-metropool met op iedere straathoek een warmtepomp en een veldje zonnepanelen. Een soort Leidsche Rijn on steroids, maar dan in Vianen. Ook ik zal naadloos assimileren en de plaatselijke gebruiken tot in de puntjes overnemen. Ik zal als een echte Vianees mijn eerstgeboren kind in de Lek dopen om hem/haar/het vervolgens met klei te laten zalven. Samen zullen we naar langsvarende vrachtschepen zwaaien. Ik zal mijn verjaardag ieder jaar bij Van der Valk vieren en ik zal naar By the Creek toeleven alsof het Tomorrowland is. Maar hoe trotse Vianees ik ook mag worden, het zal diep van binnen altijd een brug te ver blijven. Zie jullie op Parkhout mijn lieve zuiderburen!