26 februari 2025

Eigenlijk vanaf het eerste moment dat ik langs de bestuurskamer, de sponsorlounge en de imposante Trofeeënkast loop, wordt ik bij iedere begroeting met minachting en walging aangekeken. Er hangt een vreemd sfeertje, merk ik op. In de kantine valt de goegemeente, zodra ze mijn prachtige hoody zien, stil. Ik loop, met achter mijn ploegmaats, richting de bar. Achter mij hoor ik Daan twee kipburgers bestellen. ‘Kipburgers zijn op’, wordt hem door het werkende personeel toegesnauwd. Op de uitgiftebalie zie ik vier kipburgers liggen, waar de damp van de warmte nog vanaf lijkt te komen. ‘En die kipburgers die daar liggen dan?’, vraagt Daan. ‘Die zijn van mij’, antwoordt de vrouw. Vervolgens begint ze hevig de vier broodjes in haar mond te proppen. ‘Siejeleeel??!’, gebaart ze, terwijl ze zichtbaar tegen de hitte van de net gefrituurde bonk met vlees aan het strijden is. ‘Zie je wel?!, zal ze vast bedoelen.

Ik vervolg mijn weg richting de bar en bestel daar een kan met Texels Skuumkoppe. ‘Jullie krijgen godverrredomme hummal niks!’, wordt ons hevig toegeschreeuwd. ‘Wie denken jullie wel niet dat jullie zijn? 0-5 thuis verliezen van VSC. Jullie zijn Parkhout onwaardig. Ga je schamen! Schaam je kapot!’. De rest van de aanwezige recreanten beginnen zich ermee te bemoeien en al snel krijgen wij allerlei verwensingen naar ons hoofd gegooid. Wij zijn NSB’ers, we zijn het embleem niet waard, we moeten maar op curlin gaan etcetra etcetra… De sfeer slaat om en wordt in korte tijd erg grimmig. Ik hoop stiekem dat Ellie Lust in de buurt is, maar ze is nergens te bekennen. Verloren zaak, geen Ellie Lust. Wat nu. De voorzitter van Parkhout begint zich er ook mee te bemoeien en sommeert ons om met het hele team, met onze neus richting de muur, in de hoek te gaan staan. ‘Ga maar even goed nadenken waar jullie thuis horen, want volgens mij is dat de zesde klas!’. Zesde klas, de woorden dreunen nog na. Het laat mij niet onberoerd.

Wij lopen naar de hoek en terwijl wij daar als makke lammetjes onze zondes aan het overdenken zijn verzamelt er zich een woedende menigte die op grote schaal emmers pek en veren hebben verzameld. Kinderen en senioren staan voorop en bekogelen ons met mosterd en broodjes bal; wij ondergaan daarentegen lijdzaam en stil ons lot. ‘De mensen zullen wel het beste met ons voor hebben’, denk ik nog. ‘Ik ben immers een kind van de club’, denk ik nog. ‘Ze zullen het vast goed bedoelen’, denk ik nog. Maar niets is minder waar. Tussen het woedende publiek vang ik een glimp van Kevin op. Hij gooit niet, maar ik zie de teleurstelling in zijn ogen. En om iemand te zien waar jij al je hele leven voor applaudisseert, die je op een voetstuk zet, om iemand zo naar je te zien kijken, dan doet dat alleen maar heel veel pijn.

Eenmaal in de hoek krijg ik de geest te pakken. De verkeerde geest. Het degradatiespook ontwaakt zich in mij. Ik besef het mij; ik ben de hekkensluiter, de lijstduwer, de bodem van de beerput, het laagste van het laagste. Het is over en uit; de broodjes kunnen uit de oven, de kogel is door de kerk; het wordt volgend jaar Zesde klasse. Ik begin te trillen en voel dat de muur mij als een magneet naar zich toetrekt. De muren van de kantine lijken mij als een soort Zweinstein op te slokken en erin te zuigen. Zelf ben ik weerloos, de stemmen van het boze volk worden steeds zachter. ‘Je kan niet voetballen dikke mongool!’, hoor ik nog, maar dat is ook het laatst tastbare wat ik van de echte wereld opmerk. Ik verdwijn in een muur van oneindige nietzeggende materie, in een niemandsland. Alles draait. Allemaal verschillende kleuren en geluiden wenden zich tot mijn. Floeberdoeberdoep,…… Bep van klaaveren….. tuinmeubilair……. krokusmakronen…… Ellie lust……. Ik raak in paniek; ‘Wat gebeurt er??! Waar breng je me naartoe??! Niet weer naar Sunderland – Hull City!!!! Neeeeee’. En uiteindelijk gaat alles op zwart. Omroep Zwart.

Even later open ik mijn ogen. ‘Waar ben ik, wat is dit?’. Ik sta op een grasveld. Om mij heen lopen koeien en schapen, vreedzaam te grazen in de weide. Ik zie twee doelen, twee dugouts en een middenstip. In de verte zie ik een gebouw, het lijkt op een clubhuis. Het miezert, het is koud. Ik sta in voetbaltenue, merk ik op. En dan hoor ik een koe-bel rinkelen; het aanwezige vee schrikt op. Er loopt een terreinknecht met een duitse herder het veld op en begint de beesten het veld af te dirigeren. ‘Hiejaaa, hoppaaa, hoppetaaaaa!’, roept hij. ‘Waar ben ik?’, vraag ik de terreinknecht, maar hij negeert mij. Dan plots zie ik een groep voetbalspelers in de richting van het veld oplopen Deze moeten allemaal de pensioenleeftijd gepasseerd zijn, die hier in voetbaltenue het veld op lopen. Ze dragen het tenue van Lopik. En achter hen loopt een team in Parkhout tenue, ook richting het veld. Ik kijk even goed en zie bekende gezichten; hey dat is vedulleme mijn team!

Maar ik geloof mijn ogen niet; Goes is dik, Koen is dik, Saks is dik. In de dugout staat Tito met een zakje Javaanse jongens een sjekkie te draaien, naast diezelfde dugout ligt de raaf op zijn rug in het gras terwijl hij zijn hoofd op een kratje bier laat rusten. Ik loop naar Koen en vraag wie de tegenstander is. ‘Uhh, dat hebben we zojuist in onze 30-seconden durende bespreking besproken, gast. Dat is Lopik 23, de nummer 1 van onze competitie’. Ik kijk vol verbazing naar onze tegenstander van vandaag en zie dat de aanvoerder zijn rollator naar de dug-out aan het rollen is. ‘Ze staan 10 punten los gek, die gasten zijn echt goed’. Vervolgens komt de scheidsrechter, een meisje van hooguit 14, het veld op. In haar hand heeft ze een volleybal en om haar nek draagt ze een fluit in de vorm van Spongebob. Ze roept beide aanvoerders bij haar. ‘Vandaag spelen we met een volleybal zodat jullie kunnen oefenen met de bal de lucht in schieten. Dan gaat dat wat makkelijker’, geeft ze aan. ‘Wel lief voor elkaar zijn vandaag, en als je iemand per ongeluk een schouderduw geeft geef je als straf je tegenstander een knuffel, hihi’. Tito roept zijn manschappen nog een laatste keer bij elkaar: ‘Vergeet niet Boys, we spelen vandaag in een 6-3-1 formatie! In de spits staat Pup, de enige in het team die nog niet is uitgezet. Alle ballen op Pup, come onnnn’.

En dan begint de wedstrijd. Ik krijg de bal toegespeelt en wil een dribbel inzetten, maar het lukt niet. ‘Heb je de dozen nog om je schoenen?’, roept Tito naar mij. Ik kijk even naar beneden en verhip, de dozen zitten er nog om. Scapino ook, wat ben ik afgegleden zeg. Ik haal de dozen van mijn schoenen, maar iedere keer als ik er een doos afhaal komt er een nieuwe doos. En een nieuwe doos. En een nieuwe doos. En een nieuwe doos. Wat ik ook doe, er blijven oneindig nieuwe dozen om mijn schoenen tevoorschijn komen. Ik word gek en stort huilend op mijn knieën ter aarde.

‘Oke lieve Heer, U wint! Zeg me alsjeblieft wat ik moet doen! Ik zal alles doen, hardlopen, goed eten, koud douchen, lintworm, ozempic, retraittes, op vakantie naar Alleppo, kamperen met Ellie Lust en zelfs nog een keer naar Sunderland Hull City! Als ik maar nooit meer in de zesde klas hoef te voetballen. Toe, lieve Heer! Geef mij een teken!’ Vervolgens schiet de linksbuiten van de tegenstander een bal tegen mn hoofd en ik val op mijn rug te pletter. Half bewusteloos en duizelig zie ik dat Corkie zich schuldbewust over mij ontfermd heeft. Ik hoor engelenzang tot mij naderen. Is dit het? Is dit waar het moet eindigen? ‘Je bent een lieve jongen’, biedt Corkie nog als troostende woorden, maar ik hoor hem niet meer. Ik hoor alleen nog gezang. Ik hoor…. Ik hoor…… Keane.

‘If only i don’t bend and break
I’ll meet you on the other side,
I’ll meet you in the light.

If only i don’t suffocate
I’ll meet you in the morning.
When you wake in vijfde klas.

En dan word ik wakker.