Deze week mogen we voor de eerste competitiewedstrijd van het seizoen tegen JSV aantreden, en daarna gaan we met teamuitje naar de Kartoffel in Utrecht: een restaurant waar je onder het genot van livemuziek een liter Paulaner kunt wegwerken. Het belooft daarom een mooie dag te worden met dus gelijk een onvervalste Darrebie op het programma. Van de tegenstander weten we dat ze in de beker door zijn en een groot aantal regelmatig op de Bunnik zit. Je wilt je niet laten leiden door vooroordelen, maar automatisch verwacht je toch dat ze erin zullen kletsen. Dat zou zomaar een verhit potje kunnen worden. Uiteindelijk valt dit reuze mee en stapt iedereen heelhuids van het veld. Mede omdat de leidsman van vandaag, Hans, de teugels graag strak houdt, maar vooral omdat de wedstrijd van vandaag geen wedstrijd wordt. Binnen vijftien minuten kijken wij tegen een 0-3 achterstand aan en als dit een potje FIFA was hadden we de controller moeten afgeven. Schuldbewust kijken wij naar onze supporters die net komen aanlopen. ‘Hebben we wat gemist?’ vraagt men nog.
Hoe dit zo fout kan gaan is voor ons geen groot raadsel. Nadat iedereen zijn plasje erover doet som ik het even op: De veldbezetting is niet goed, we lopen niet met de man mee, er is geen coaching, de tegenstander is feller, de tegenstander heeft meer kwaliteit, de trainer moet eruit en de kantine moet z.s.m. in de fik (aldus Valentijn Driessen, Telegraaf). Zo gaan er een hoop zaken niet goed, maar wij weten ook dat onze Dark Horse Levi, met inmiddels een 0-4 achterstand, zijn eerste ondankbare minuten van het seizoen gaat maken. In de rust maken we ons dus geen zorgen: Levi sleept er nog een gelijkspel uit en daarna gaan we met een punt op zak naar de Kartoffel, incluis de livemuziek.
Die tweede helft is zeker een stuk beter. Dit kunnen toeschrijven aan ons verbeterde spel, aan de tegenstander die het wel prima vindt, of toch gewoon aan Levi. Of aan Pup, die als enige wel een ruime voldoende haalde. Hoe dan ook creëren we nog wel wat leuke kansen en zijn er een paar mooie aanvallen te zien, dat geeft de burger enigszins moed. Wij weten het net helaas niet te vinden en wat mij betreft kan de arbiter niet snel genoeg afluiten. Vanavond gaan we naar de Kartoffel met livemuziek en die gedachte houdt mij na deze blamage enigzins op de been. Naast het veld bespreken we na. Hoe heeft het zo fout kunnen gaan? Had Els het niet gewoon moeten afblazen of stond het kantoor van de D66 niet op de verkeerde plek? Wij lopen terug naar het kleedhok waar ons een verrassing staat te wachten: Wij zien in het midden een grote tekentafel, omringd door allemaal spiegels. ‘Wij gaan terug naar de tekentafel en eens goed in elkaars ogen kijken’, vertelt Tito ons. ‘En als je toch bezig bent, kijk je gelijk ook eens goed in de spiegel. Want dit was helemaal KUT’.
Dit doen we verplicht een uur lang in alle stilte. Ik kijk in de spiegel en schrik: dacht dat ik Hans Teeuwen zag, maar ik ben het zelf. Verder zie ik iedereen elkaar indringend aankijken. Degene die geluid maakt moet voor straf koud douchen. Je kunt de spelden, die Tito tussendoor met een intimidere blik op oneindig richting zijn spelers 1 voor 1 op de grond gooit, horen vallen. Buiten schiet Hans een kanon af of het statement meer lading te geven. Het is intens, het is zwaar, het is emotioneel. Hoe langer ik in de spiegel kijk, hoe meer ik zin heb in de Kartoffel vanavond. ‘Gelukkig is er livemuziek’, besef ik me. ‘Zonder livemuziek wordt het helemaal niets. ‘Wat zouden die andere jongens denken?’, vraag ik me af. Ik kijk naar Raaf, die met het zweet op zijn voorhoofd, met ver open gesperde ogen richting ‘de tas’ onder de tekentafel staart. Zijn handen trillen. Ik zie Pup naar Buffel kijken. Ik hoor hem denken. ‘Jjjjelmer Stollek…’ Zilver laat stiekem een screenshot van z’n telefoon aan me zien. ‘Geen livemuziek vanavond’ staat er. ‘Godver, ook dat nog’. Vervolgens krijg ik in m’n telefoon van Pup een betaalverzoek van 35 euro: ‘Boete voor inwendig balen tijdens reflecterende stiltesessie kleedhonk’.
En nadat we terug naar de tekentafel zijn gegaan en elkaar eens goed in de ogen hebben gekeken, beseffen we dat het misschien wel teveel werk voor één trainer is. Of twee trainers. Of een hele trainersstaf. Omdat we zo ongekend godsgruwelijk slecht waren. En daarom hebben wij een AI nodig: Een AI met van die klotsende tassen.
Zo’n AI die onze Tito kan adviseren en ondersteunen. Zo’n hyperintelligente AI met alle voetbalkennis die er ooit in de wereld bedacht en gedeeld is. Een algoritme dat de opinies van nitwits als Valentijn Driessen en Aad de Mos er automatisch uitfiltert, en alle goede ideeën koestert, fintunet en uitwerkt. Dan geven we dat algoritme een aimabel karakter, een persoonlijkheid die goed ligt bij de pers. We geven de AI een beetje geluk en we geven de AI standaard wat extra tijd binnen de extra tijd. We geven de AI een grote glimlach en we geven hem een rustige, gezalfde stem. Vervolgens stoppen we hem onder een glanzend, kaal hoofd en dan noemen we hem: Arne Slot.
Volgende week weer met een schone lei tegen Brederodes, come onnn boys!
