Parkhout en de beslissende voetbalwedstrijd pt.3 – De hoody

Nieuwegein, augustus 2004. Het is een mooie nazomerdag en de kinderen van Basisschool ‘De Natte Dwarsfluit’ genieten van hun laatste vrije week vakantie. Veel jongens en meisjes uit groep 6 hangen dagenlang rond op het voetbalveldje in de buurt van de basisschool, zich druk bezighoudend met Engels tienen, afvalraceje en buskruit. Zo is ook Laers, net in de zoektocht naar een beter leven vanuit Zeeland naar de Randstad geëmigreerd, vaak op het veldje te vinden met zijn kersverse vrienden Goes (vernoemd naar de Zeeuwse stad) en zijn blonde maat Pompeus (de jongen met de stille lach). Laers, Goes en Pompeus zijn altijd met de bal in de weer, tot zij om 1800 door hun ouders naar binnen geroepen worden voor het avondeten. Snel het bordje naar binnen werken en dan weer door voetballen tot de zon onder gaat. Het is, tot 24 augustus 2002, de mooiste zomer van Laers zijn leven.
Die fatale dag begint als geen ander, met een potje afvalrace op hun eigen veldje. Goes, Laers en Pompeus proberen alledrie als een wilde te scoren, dromend om ooit in het 1e van Parkhout, de topclub van Nieuwegein, te voetballen. Goes, groot fan van de club en altijd gekleed in een hoody van Parkhout, zet een dribbel in en schiet de bal rakelings over. De bal beland in het slootje acht het doel. Pompeus, die op doel staat, begint keihard te lachen zonder ook maar enig geluid te maken. Hij werpt alleen zijn mond open en de tranen schieten in zijn ogen. ‘Kap is met lachen joh Pompeus, alsof jij zo goed bent’. Pompeus reageert niet en wijst alleen maar plagerig naar zijn maat, nog steeds met zijn mond wijdt open. ‘Hey als je zo doorgaat met lachen kun je ‘m van mij krijgen hoor!’, schreeuwt Goes woedend. Laers bewaart de vrede tussen de twee kemphanen: ‘Rustig jongens, ik haal de bal wel’.
Laers holt richting de sloot waar hij de stok ziet liggen waarmee zij dagelijks de bal uit de sloot weten te vissen. Een routineklusje zou het moeten zijn, maar terwijl hij met de stok richting de bal rijkt glijdt hij uit en valt in de sloot. Helaas voor hem staat er die dag een ongenadig harde stroming die hem richting een draaikolk stuurt, en rukt er een stormachtige wind op. Laers roept direct om hulp, waardoor de tot dan toe kibbelende vrienden komen toegesneld. Hij houdt zich vast aan een van de takken die overdwars vanaf de oever over de sloot hangt, maar deze tak is slap en kan ieder moment breken. ‘Foute boel’, beseft Laers zich, en hij weet dat als hij de tak loslaat hij wordt meegesleurd richting de draaikolk. ‘Houdt vol Laers, ik ga hulp roepen!’, ziet hij zijn paniekerige vriend Pompeus roepen, die zijn beide handen om zijn mond zet maar geen geluid produceert. ‘Wacht, ik ga mijn moeder wel halen’, deelt hij mee en hij rent weg. Goes staat nog steeds vol ongeloof op de pier en ziet Laers steeds dieper wegzakken in het moeras. Als klap op de vuurpijl breekt de tak waaraan hij zich vasthoudt af.
Laers zakt als een hut in een tsunami mee richting de draaikolk. Ter nauwernood kan hij zich vastgrijpen aan een liaan, die in die tijd voor klimaatverandering, nog veelvuldig in de Nieuwegeinse parken te vinden waren. Zijn kop gaat steeds vaker onder en hij raakt buiten adem. Is dit het dan? Hoort het zo te eindigen? Op de achtergrond hoort hij het geluid van sirenes luider worden en ziet hij een jongetje richting de oever rennen. Alles wordt wazig en grijs en hij raakt langzaam buiten bewust zijn. Hij ziet nog net op tijd het jongetje hem iets aanrijken, iets donkerblauws, iets magisch. ‘LAERS, PAK M’N HOODY!’, roept de stem hem toe. ‘Pak de hoody! Grijp de hoody!’ Die woorden dreunen diep door tot het reptielenbrein van onze held, waardoor zijn linkerarm, die niet de liaan beet heeft, richting het donkerblauwe kledingstuk rijkt. Net mis, shit. Er wordt weer geroepen: ‘grijp de hoody, vrind!’ Het is Goes, die langs de kant verwoede pogingen doet om zijn makker uit de sloot te vissen, door zijn meest dierbare kledingstuk in de sloot te gooien. Na een paar keer is het raak en weet Laers de hoody beet te pakken. Goes trekt hem uit het water en Laers ploft neer op het veilige gras. Inmiddels hoort hij dat de sirenes erg luid zijn geworden, Pompeus en zijn moeder komen met handdoeken toegesneld. Laers ligt bij bewustzijn op de grond met in zijn linkerhand een hoody van Parkhout. De hoody die hem gered heeft van een verdrinkingsdood. ‘Wow je hebt me leven gered’, zegt Laers. ‘Nee makker, de hoody heeft jouw leven gered’, antwoordt Goes. ‘Houd hem maar, ik heb er thuis nog wel eentje liggen’. Sinds die dag heeft Laers de hoody nooit meer uit gedaan.
Nu, tweeëntwintig jaar later, vindt Laers zichzelf weer terug in een levensbedreigende situatie, deze keer in de bestuurskamer van FC Kloosterzande, waar de voorzitter een pistool op hem gericht heeft. ‘GEEF MIJ DIE HOODY LAERS’ commandeert hij. ‘Of die vrind van jou gaat eraan! En jij ook!’. Op de grond ligt Gilbert, vastgebonden en met een prop in z’n mond, zichtbaar in paniek, intens met grote ogen richting Laers starend alsof hij wil schreeuwen: ‘Geef hem alsjeblieft die hoody!’ Maar Laers heeft andere plannen. Hij staart nog even stoicijns richting de voorzitter en beweegt langzaam zijn dichtgebalde vuist omhoog, ‘Zie je deze?’ vraagt Laers plagerig. ‘Kijk goed’. De voorzitter is zichtbaar verbaasd door de kalmte die zijn gijzelaar teweeg weet te brengen, en hij ziet vervolgens hoe die met een soort draaiende beweging met linkerarm zijn vuist laat veranderen in een middelvinger. ‘fack, fack, dubbele… fack! De voorzitter ontaart in wilde razernij en gooit met een hoofd als een tomaat z’n tafel om. ‘En nu is het afgelopen, eerst gaat je vriend eraan!’ Hij richt zijn revolver nu op Gilbert.
Precies op dat moment worden de ruiten in de bestuurskamer aan diggelen geschoten door de spits van de thuisclub Kloosterzande, Barry Kanen, die een paar seconden eerder zijn penalty twee etages te hoog mikte. – ‘Godverdomme! Wat gaan we nou krijgen!’, foetert de voorzitter. Van de schrik laat hij zijn revolver vallen op de inmiddels met glasscherven bezaaide vloer. Tijdens dit korte moment van afleiding weet Laers razendsnel te handelen en de situatie volledig om te keren. ‘IK MAAK JE KEPOT’, schreeuwt de voorzitter nog uit, maar ineens valt hij stil. Hij ziet, op een meter afstand, Laers zijn hoody boven een brandende kaars hangen. ‘Als ik geen hoody krijg…. krijgt niemand een hoody’, zegt Laers kalmpjes. De kamer valt stil, je kunt er een speld horen vallen.
De voorzitter begint te lachen. ‘Dus zo wil je het spelen Laers? Oké, dan spelen we het toch lekker volgens jouw regels jongen! Je denkt dat, nu je uit de Randstad komt, alles lekker kan lopen bepalen hierzo! Met je mooie kleertjes en je mooie gsm en je mooie maniertjes! Is goed, doen we dat toch? Zeg maar wat je wilt’. Nog steeds houdt Laers de hoody boven de kaars. ‘Mijn eisen zijn heel simpel. Gilbert en ik verlaten dit pand levend. En volgende week spelen wij die oefenpot hier tegen het 1e van Kloosterzande en jij gaat ervoor zorgen dat we onze licentie krijgen’. ‘En wat staat er voor mij tegenover?’ vraagt de voorzitter. ‘Jij krijgt als jullie winnen van ons een Parkhout hoody’, vervolgt Laers. ‘En je mag Gilberts kroeg afbranden’. Gilbert kijkt, nog steeds met prop in de mond, furieus naar Laers, compleet onstelt van dit voorstel. ‘Deal’, zegt de voorzitter en hij grijpt Laers intimiderend bij zijn kraag. ‘Maar als je me probeert te beflikkeren weet ik je te vinden, Laers’. Laers reageert niet eens en maakt Gilbert los. Vervolgens lopen ze de bestuurskamer uit, de vrijheid tegemoet.
Eenmaal buiten de voetbalvereniging begint Gilbert woest te worden op Laers. ‘Wat deed je daar nou?’ Wat was dat hele gedoe met Gilbert kroeg afbranden? Waar was dat voor nodig gek?’ ‘Stil maar’, antwoordt Laers, ‘die gasten winnen nooit van mijn team. Wij zijn in de vorm van ons leven. En wij hebben McKlures’. Gilbert is nog steeds in shock van wat hem is overkomen. ‘Oké zal wel, maar we moeten echt naar de politie toe hiermee, dit kan toch niet’. ‘Alwin heeft de politie van Hontenisse tot Kloosterzande in z’n broekzak zitten Gilbert, die brengen ons weer regelrecht naar het hol van de leeuw. Laten we naar jouw kroeg gaan om te kijken wat er van over is’. En zo lopen Laers en Gilbert terug naar de Zeeuwsche Schavuyt.
Eenmaal daar aangekomen zien ze de puinhoop van gisteravond, de kroeg is helemaal kapot geslagen door Dorkville en zijn knapen. Overal ligt kapot meubilair, kapotte spiegels, de bar is naar de galemiezen en zijn voorraad is geplunderd. Gilbert aanschout emotioneel het tafereel en zakt door zijn knieën. Op de grond pakt hij een glasscherf van een glas La Trappe, het biertje dat hij al zo vaak voor zijn gasten gemaakt heeft. Hij barst in tranen uit. ‘Oh Laers wat moet er nu nog van mijn kroeg komen? Hoe ga ik dit weer opbouwen Laers?’ Wie ben ik zonder kroeg Laers? Wat is mijn identiteit nu Laers? Wie ben ik eigenlijk, Laers? Laers legt zijn hand kalm op zijn schouder en toont hem een briefje van 10 gulden en zegt: ‘Daar gaan we nu mee beginnen vrind, doe mij maar twee Jupilers voor mij en m’n vriend. Keep the change’. Een charmante knipoog volgt. Gilbert moet wel gniffelen van dit voorstel en probeert zich via de rommel naar de bar te weergeven. ‘Excuseer me, ik ga even bellen’, deelt Laers mee en hij loopt richting de wc, die met pot en al van de muur is getrokken.
Daar toetst hij een nummer in dat begint met 030. Een stem aan de andere kant van de lijn neemt op. ‘Hallo?’. ‘Tito, met mij’. ‘Laers jongen, je belt om 3 uur snachts man (verschillende tijdzones), hoe is het daar? Hoe gaat het?’ ‘Het is gelukt’, vertelt Laers direct. ‘Het is gelukt Tito’. Hij pinkt emotioneel een traantje weg. Ook zijn gesprekspartner aan de andere kant van de lijn wordt emotioneel. ‘Meen je niet? Wauw zeg, hoe heb je dat geflikt joh’. ‘Vraag me niet hoe, maar zeg het voort. Volgende week zaterdag om 1300 tegen Kloosterzande. En neem McKlures mee’.
Wordt vervolgd
