
Kwart over 8, woensdagavond, 1e training van het seizoen. Het is klam, benauwd en we zweten ons de tandjes. En dan te bedenken dat de eerste training nog moet beginnen. Een voor een stromen de boys met goede moed het complex op, terug van een zomer vol geneugten. Ook ik ben zojuist aanbeland op de plek waar ik intens mijn Parkhoutiaanse broeder begin te omhelzen. De tranen springen in mijn ogen; ‘pohhh wat heb ik het voetbal gemist zeg’. Hier op het veld van Parkhout kom ik weer tot leven want zonder Parkhout ben ik niets; slechts een radartje in het geheel en een stukje materie binnen het universum. Ik neem tevreden en olijk mijn plekje in naast Lars, die voor het dug-out zijn voetbalschoenen aantrekt en wat keuvelt over de nieuwste aankoop van Feyenoord.
De 1e training is voor mij niet altijd iets geweest om naar uit te kijken. Dat had er alles mee te maken dat het in B- en A- junioren meer iets weg had van Kamp van Koningsbrugge of Expeditie Robinson. Voor onze oude coach was dit gelijk de mooiste dag van het seizoen. Dan stond hij zijn lammetjes al ver voor het begin voor het hek van Vreeswijk, likkenbaardend, grijnzend en handen wrijvend, op te wachten: Klaar om ze naar de slachtbank te leiden.
Zo’n avond begon met een onheilspellende speech over onze zomer, die moest impliceren dat we acht weken lang als een veertigjarige Brit op Mallorca de teugels hebben laten vieren, wat weer zou moeten rechtvaardigen dat het komende anderhalf uur gedaan moest zijn met iedere vorm van levensvreugde. Daarna begonnen we aan een soort dodenmars die eindigde in Park Oudegein waar wij tussen de frisbeende picknickers, uitkijkend op de dinerende gasten van Jacks Grillhouse, zo vaak een heuvel op en moesten rennen dat het snot in je ogen kroop. Mannen kunnen niet multitasken? Nou, dan had je desbetreffende woensdagavond moeten zien, want dat was rennen, kotsen en huilen tegelijk. En als er iemand geluid maakte werd de kwelling met vijf minuten verlengd. Ik vroeg me af of de 1e training niet gelijk mijn laatste was. S’ nachts schrok ik nog een paar keer wakker.
Maar we zijn er nog steeds, uit liefde voor het spel en de club waar we allemaal zo van houden. Ook Bengt is er dit seizoen weer bij, zijn veters lussend in de dug-out. Bengt hoort bij het meubilair en kegelde ze al sinds de UTINBO shirtsponsor over de boarding. Ook dit seizoen gaat hij alle rechtsbuitens weer het vuur aan de schenen leggen. Terwijl Bengt zijn veters lust daalt er een klein druppeltje zweet van zijn voorhoofd af naar zijn neus, die terloops in de nek van de op de grond voor hem zittende Lars uiteen zal spatten. Lars, de Arjen Robben van Parkhout, wordt al een volwassen leven geitesterd door blessures, maar blijft ieder seizoen weer terugkomen. Dat noem je pas clubliefde; Francesco Totti, eat your heart out! Waar zou hij geëindigd zijn als hij niet zo blessuregevoelig was? We zullen het nooit weten.
Achter het hek, voor het bord met ‘Rookvrije vereniging’, staat Tio zich mentaal voor te bereiden met een Marlboro gold in zijn mondhoek. Hij heeft ook verlengd, al is het in een nieuwe vorm als veldtrainer/speler. Daarnaast heeft hij deze zomer doen besluiten om rigoureuze hervormingen oogluikend toe te staan. Een beetje zoals Gorbatsjov met Perestrojka en Glasnost heeft hij een stuk van zijn macht overgedragen aan zijn ondergeschikten. Zo doet Pup nu de boetes, Buffel de weekdienst en maken Goes en Tommy de opstellingen. Het begint beetje en beetje op een democratie te lijken, al blijven de boetes Stalinistisch streng. 10 minuten te laat = vijf maanden naar de Goelag.
En daar, op die benauwde zomeravond, waar iedereen bij elkaar komt met groot plezier in de ogen, kijk ik nog eens goed om me heen. In de verte zie ik Buffel al over het veld dartelen zoals alleen de Buffel dat kan. Ook hij kan niet wachten om te beginnen.
